Verantwoordelijke vrijheid: responsabilisering van burgers op voorwaarden van de staat


Rik Peeters   |  Gerard Drosterij

ABSTRACT   
Veel opvattingen van ‘governance’ huldigen het beeld van een ‘bescheiden staat’, die enkel in samenwerking met andere publieke en private actoren in staat is tot effectief opereren, en die bovendien ook de legitimiteit ontbeert om zonder inspraak en participatie van burgers te kunnen sturen. De laatste jaren wordt dit beeld in wetenschappelijke debatten echter genuanceerd en aangevuld met het beeld van een hernieuwd interventionisme. Dit artikel sluit hierop aan door het Nederlandse politieke discours in de periode 2001-2010 te analyseren op (impliciete) staatsopvattingen. Centraal daarin staat de idee van ‘responsabilisering’ van de burger.

Een analyse van publieke optredens van gezagsdragers laat zien dat dit niet zozeer verwijst naar een overdracht van verantwoordelijkheden, maar juist naar de constructie van een gedeelde verantwoordelijkheid van burger en staat bij de aanpak van door gezagsdragers geformuleerde maatschappelijke problemen.
Hiermee wordt de staat gepresenteerd als bondgenoot van de burger, maar tegelijkertijd wordt ‘verantwoordelijk gedrag’ door gezagsdragers van een specifieke invulling voorzien. Daarmee is vervolgens ook het argument gecreëerd om een ieder die geen ‘verantwoordelijk gedrag’ vertoont te ondersteunen of te dwingen dit alsnog te doen met behulp van governance-achtige gedragsinterventies. De bepleitte ‘responsabilisering’ is dan ook vooral een verantwoordelijkheidstoedeling op voorwaarden van de staat.
.

Verantwoordelijke vrijheid: responsabilisering van burgers op voorwaarden van de staat


Drs. Rik Peeters  |   Nederlandse School voor Openbaar Bestuur
Dr. Gerard Drosterij  |  Universiteit van Tilburg

1. Inleiding

Het motto van het recent gesloten regeerakkoord tussen VVD en CDA luidt ‘vrijheid en verantwoordelijkheid’. Dat van het vorige kabinet was ‘samen werken, samen leven’. Op het eerste gezicht twee motto’s passend bij twee verschillende visies op de samenleving en de rol van de staat daarin. Bij nadere lezing echter valt een aantal belangrijke overeenkomsten op in de manieren waarop beide kabinetten hun beleid positioneren richting samenleving. Zo stelde het kabinet Balkenende IV in het regeerakkoord het volgende over sociale samenhang en inburgering:

“Sociale samenhang vereist dat iedereen naar vermogen meedoet in economisch en maatschappelijk opzicht. Mensen die daartoe nog de mogelijkheden missen, worden daarbij geholpen. Een verplichtende aanpak van inburgering is noodzakelijk. […] Wie naar Nederland komt om hier voor langere tijd te leven, heeft de verantwoordelijkheid ook naar vermogen een bijdrage te leveren aan onze samenleving. Wie dat doet, hoort er vervolgens ook echt bij”[1].


[1] Regeerakkoord kabinet Balkenende IV, TK 2006-2007, 30891/4, p. 7.

In het gedoogakkoord dat VVD en CDA met de PVV hebben gesloten valt het volgende te lezen over inburgering: “Inburgering van toegelaten asielzoekers en migranten op een adequaat niveau is voor henzelf en hun kinderen de sleutel tot een volwaardige deelname aan de samenleving in werk en onderwijs. Dit mag worden verwacht van nieuwkomers. Zij zijn hiervoor zelf verantwoordelijk. Het uitblijven van deze inspanningen kan in het kader van de sociale zekerheid en in het belang van de arbeidsparticipatie, niet zonder gevolgen blijven. De tijdelijke verblijfsvergunning zal bij niet slagen voor het inburgeringsexamen worden ingetrokken behoudens uitzonderingen”[1].


[1] Gedoogakkoord VVD, CDA en PVV, 2010; gevonden op http://www.rijksoverheid.nl/regering/het-kabinet/regeerakkoord/immigratie, geraadpleegd d.d. 12-11-2010.


De overeenkomsten tussen beide citaten mogen duidelijk zijn: enerzijds eigen verantwoordelijkheid van burgers (in dit geval inspanningen tot integratie en participatie door migranten) en anderzijds verplichtende voorwaarden van overheidswege. Hiermee is uiteraard niet gezegd dat beide regeerakkoorden uitwisselbaar zijn. Wel geven beide citaten aanleiding tot het vermoeden van het bestaan van een onderstroom in het denken over de verhouding tussen staat en burger, die niet direct gerelateerd kan worden aan een specifieke politieke kleur. Met andere woorden: beide citaten lijken een uitdrukking van een structureel veranderende verhouding tussen staat en samenleving. Het analyseren en begrijpen van deze veranderende verhouding is onderwerp van dit artikel.

2. Onderzoeksvraag en opzet


De afgelopen decennia is het denken over de rol van de staat (waarvoor we in Nederland veelal de politiek neutralere term ‘overheid’ gebruiken) in bestuurskundige kringen gedomineerd door het concept ‘governance’. Kort gezegd is dit de benaming voor een veranderend handelingsrepertoire en een veranderende positionering van de staat ten opzichte van burgers en maatschappelijke actoren, die zich in grote lijnen laten kenmerken door een horizontalisering van verhoudingen: overheidsactoren onderhandelen en werken samen met andere spelers in netwerkconstructies, omdat ze tegenwoordig zowel de legitimiteit als de formele macht ontberen om nog effectief hiërarchisch op te treden. Kortom, de staat als slechts één van de relevante spelers bij de oplossing van maatschappelijke vraagstukken.
Wie het hedendaagse beleidsdiscours aanhoort zal dit beeld van een ‘bescheiden staat’ herkennen: steeds klinkt daarin de overtuiging door dat de overheid niet meer in staat is om maatschappelijke problemen alleen op te lossen, maar dat samenwerking met burgers, maatschappelijke organisaties en andere overheden noodzakelijk is. Wie echter de twee hierboven aangehaalde citaten uit de regeerakkoorden van de kabinetten Balkenende IV en Rutte leest, kan niet anders concluderen dat dit beeld van een bescheiden overheid op zijn minst onvolledig is: hier zien we een staat die wel degelijk krachtdadig en hiërarchisch wil optreden in maatschappelijke vraagstukken.

En toch ook weer niet… Nauwkeurige lezing van de beide citaten laat zien dat er twee ogenschijnlijk tegengestelde lijnen in samenkomen. Enerzijds wordt een beroep gedaan op de verantwoordelijkheid van burgers om zorg te dragen voor hun eigen integratie en participatie in de samenleving en arbeidsmarkt, anderzijds organiseert de staat hiërarchische prikkels om deze verantwoordelijkheid af te dwingen. In andere woorden: enerzijds is de staat afhankelijk van de inzet van burgers bij de aanpak van complexe maatschappelijke vraagstukken (zoals integratie), anderzijds leidt dat blijkbaar niet tot een bescheiden opstelling. Hier lijkt sprake van een governance-paradox: een verminderd vermogen en een gelijktijdige verhoogde inspanning tot het oplossen van complexe vraagstukken.

Als deze voorlopige constatering juist is, dan is het governance-concept ontoereikend om de hedendaagse verhouding tussen staat en samenleving te duiden en te begrijpen – een vraagstuk dat kan rekenen op een groeiende aandacht van bestuurskundigen, sociologen en politicologen (e.g. Thaler & Sunstein, 2003; Ossewaarde, 2007; Van Gunsteren, 2008; Trommel, 2009; Schinkel, 2010). Zij wijzen erop dat een aantal majeure transformaties in laat-moderne westerse samenlevingen (vanaf het eind van de 20e eeuw) ook de vraag opwerpt hoe de staat zich hiertoe dient te verhouden. Hoewel dit niet de plaats is om uitgebreid in te gaan op deze maatschappelijke transformaties, kan in algemene zin worden gewezen op de groeiende complexiteit en grenzeloosheid van een netwerksamenleving en een geglobaliseerde economie (e.g. Castells, 1996), op een veranderd risicobewustzijn (e.g. Beck, 1986), op een toegenomen aandacht voor vraagstukken van immigratie en integratie en van de erosie van gedeelde normen en waarden (e.g. Schinkel, 2007), op legitimiteitsvraagstukken van de representatieve democratie (e.g. Hendriks, 2009), en op de opkomst van populistische politieke partijen en bewegingen (e.g. Mudde, 2007). Wat al deze ontwikkelingen met elkaar gemeen hebben is dat ze gaan over sociale samenhang en sociale orde – of het de gezondheid, veiligheid of morele en culturele cohesie van de bevolking betreft, steeds is het vraagstuk in de kern genomen herleidbaar tot een zorg om wat een politieke gemeenschap bijeenhoudt. Een politieke gemeenschap is geen statisch gegeven, maar vereist permanent collectieve actie. En het probleem voor de staat is nu juist dat deze collectieve actie steeds moeilijker georganiseerd kan worden.


In dit artikel willen we het denken over dit vraagstuk verder brengen door de presentatie van de resultaten van een onderzoek naar de manier waarop gezagsdragers zelf woorden geven aan de veranderende rol en positionering van de staat tegenover burgers en complexe maatschappelijke problemen, zoals integratie, veiligheid, gezondheid en probleemjongeren. De onderzoeksvraag luidt: hoe omschrijven en rechtvaardigen vooraanstaande Nederlandse gezagsdragers de rol van de staat bij de aanpak van complexe maatschappelijke vraagstukken gedurende de periode 2000-2010, en hoe kunnen we vervolgens deze rol van de staat in relatie tot burger en samenleving theoretisch begrijpen?

Het onderzoek bestond uit de analyse van een selectie van 74 speeches van vooraanstaande Nederlandse gezagsdragers (ministers, staatssecretarissen, burgemeesters en wethouders), de belangrijkste publiekscampagnes over urgente maatschappelijke vraagstukken (zoals veiligheid, terrorisme, huislijk geweld en kindermishandeling), de regeerakkoorden en regeringsverklaringen, en de troonredes in de periode 2001-2010 (omvattende de kabinetten Balkenende en het regeerakkoord van het kabinet Rutte). De selectie van speeches en publiekscampagnes en van de relevante passages binnen alle genoemde gegevensbronnen heeft plaatsgevonden in twee stappen:
1)     een selectie op basis van de zoektermen ‘verantwoordelijkheid’, ‘sociale samenhang’, ‘sociale cohesie’, ‘integratie’, ‘veiligheid’ en ‘gezondheid’: deze begrippen verwijzen naar maatschappelijke vraagstukken die de afgelopen jaren in het centrum van de politieke aandacht hebben gestaan, en die bovendien complex van aard zijn en dus (naar verwachting) een reflectie vragen op de rol van de staat – dat wil zeggen, het gaat steeds om vraagstukken waar de rol van de staat niet vanzelfsprekend is, maar juist opnieuw uitgevonden moet worden.


2)    een selectie van relevante passages (na lezing van de volledige teksten) op basis van het criterium of er wordt verwezen naar de rol van de overheid bij de benadering van een maatschappelijk vraagstuk of de rol van de overheid in het algemeen – van deze passages zal een aantal in het navolgende worden geciteerd als exemplarisch voor de gehele populatie van geselecteerde teksten.
Dit onderzoek heeft niet de pretentie exact te onderzoeken hoe de feitelijke relatie tussen staat en samenleving zich ontwikkelt in concrete beleidspraktijken, maar richt zich op het niveau van het politieke discours. Een analyse van dit discours biedt echter een aantal inzichten, die zich niet of minder eenvoudig op het niveau van concrete praktijken laat onderzoeken: ten eerste is het politieke discours behalve een uiteenzetting altijd ook een rechtvaardiging van de ratio achter bepaalde staatsinterventies. Speeches, campagnes en redevoeringen zijn bewuste expressies van politieke wilsvorming en drukken daarmee de verlangens uit achter specifieke beleidsinterventies. Het politieke discours biedt daarmee inzichten in de volledige argumentatie of beleidstheorie achter staatsinterventies: van probleemdefinitie tot aan voorgestelde oplossingsrichtingen. Kortom, speeches, publiekscampagnes, regeerakkoorden, regeringsverklaringen en troonredes zijn vormen van zelfexpressie – dat wil zeggen, gezagsdragers verwoorden hoe zij zelf de rol van de staat zien. Kijken door de ogen van de bestuurder als het ware: hoe geeft de bestuurder betekenis aan de sociale werkelijkheid?



Ten tweede biedt een discoursanalyse inzicht in de normatieve implicaties van specifieke beleidsinterventies. In plaats van te kijken naar het ‘hoe’ van beleidspraktijken (de praktische vertaling van politieke wilsvorming), is ook de meer generieke en theoretische vraag naar de relatie tussen staat en samenleving van belang. Achter beleidspraktijken gaan (impliciete) opvattingen over deze relatie schuil, die op het niveau van het politieke discours het meest pregnant worden geëxpliciteerd. Behalve het belang van inzicht in de probleempercepties en beleidstheorieën van gezagsdragers (de hierboven genoemde meerwaarde van discoursanalyse), gaat het dus ook altijd over de constructie en reconstructie van staat en politiek: beleid en maatregelen zijn niet alleen interventies in de sociale werkelijkheid, maar zijn tegelijkertijd ook expressies van een bepaalde staatsopvatting, die door de politiek steeds opnieuw wordt vormgegeven of wordt bevestigd. Zeker in tijden dat de politiek naar nieuwe manieren lijkt te zoeken om met complexe maatschappelijke vraagstukken om te gaan, zijn hieruit belangrijke gevolgtrekkingen te destilleren voor de vormgeving en positionering van de staat.

In het navolgende zetten we eerst de belangrijkste gedachten rondom de notie ‘governance’ uiteen (paragraaf 3), vervolgens presenteren we de belangrijkste bevindingen van het onderzoek (paragraaf 4), gevolgd door een analyse (paragraaf 5) en een afsluitende beschouwing (paragraaf 6).

3. Governance als bescheiden bestuur?


Het concept ‘governance’ is inmiddels volledig ingeburgerd binnen de bestuurskunde, maar is daarmee allesbehalve een helder afgebakend begrip. Sterker nog, de laatste jaren lijkt het begrip zover te zijn opgerekt dat de grenzen ervan nauwelijks nog in zicht zijn. In niet geringe mate is dit te wijten aan het gelijktijdige empirische en normatieve gebruik van het begrip. Historisch gezien zijn de wortels evenwel redelijk helder – veelal wordt ‘governance’ in verband gebracht met de financiële crisis van de overheid in de jaren ’80 en de gelijktijdige opkomst van het bedrijfsmatige denken (New Public Management), die een “rapid ascendence of neo-liberal regimes” met zich mee hebben gebracht (Pierre, 2006:1). In de jaren negentig verspreidde dit gedachtegoed zich over veel Europese regeringen (van Blair tot Schröder en Kok) alsmede de Amerikaanse regering – zo verwoordde Clinton in zijn State of the Union van 1995 de nieuw ingezette koers als volgt: “The old way dispensed services through large, top-down, inflexible bureaucracies. The New Covenant way should shift these resources and decision making from bureaucrats to citizens, injecting choice and competition and individual responsibility into national policy. The old way of governing around here actually seemed to reward failure. The New Covenant way should have built-in incentives to reward success”[1]. De ‘terugtredende overheid’ en ‘marktwerking’ zijn de Nederlandse equivalenten uit die jaren, waarbij vraagsturing en doelmatigheid van overheidsdienstverlening de belangrijkste doelstellingen waren. En het is deze ontwikkeling geweest die er mede toe heeft geleid dat de staat vervolgens geen of substantieel minder formele macht had ten aanzien van organisaties in de zorg, het openbaar vervoer, de woningbouw of de energievoorziening. De verhouding van de staat tot deze ‘vermarkte’ actoren heeft geleid tot “the creation of patterns of interaction in which political and traditional hierarchical governing and social self-organization are complementary, in which responsibility and accountability for interventions is spread over private and public actors” (Kooiman, in Rhodes, 2006:58).

Maar behalve de idee van het overlaten van bepaalde overheidstaken aan marktpartijen behelsde de oorspronkelijke idee van governance ook een andere benadering van de burger – in plaats van hiërarchisch en afstandelijk moest de staat zich meer gelijkwaardig opstellen richting de kritische en zelfredzame burger. Deze meer normatief geladen equivalent van governance kan vooral gezien worden als een poging tot verdere democratisering van publieke besluitvorming: de fragmentering en individualisering van de samenleving noopte de staat tot het aannemen van een andere verhouding, aangezien het klassieke staatscentrische handelingsrepertoire tot steeds minder effectieve en legitieme interventies leidde. In plaats daarvan moest de burger centraal gesteld worden en hem een centrale plaats in het besluitvormingsproces gegeven worden via inspraak, coproductie en participatie. In die zin kan “the recognition of the limits of government and governmental steering and the shift towards central government’s reliance upon other actors, sectors, and levels of government” (Bekkers c.s., 2007:3) worden gezien als het logische sluitstuk van een maatschappelijke ontwikkeling naar een netwerksamenleving. In meer normatief-geïnspireerde noties van governance staat de overtuiging centraal dat de staat niet (meer) het monopolie op het totstandbrengen van goede besluitvorming heeft: “The various conceptions of ‘governance’ […] point out that government in the classical liberal sense is less and less a reality, and that new methods of control and regulation are required that do not assume the state or the public sector has a monopoly of such practices” (Kjaer, 2004:22). Waar governance dus enerzijds voortkomt uit neo-liberale strategieën van marktwerking en de terugtredende overheid, daar komt anderzijds een belangrijke impuls van de idee dat de klassiek-liberale scheiding tussen staat en samenleving steeds minder opgeld doet: “[t]he liberal architecture looks less and less convincing as a descriptive account of modern advanced societies. In fact, it would be better to see the state as a part of an ‘organized society’ […]” (Hirst, in Pierre, 2006:20). Sterker nog, volgens dezelfde auteur: “believing in the illusion that we live in a classical liberal system simply blots out the problem” (Hirst, in Pierre, 2006:21).

De notie van governance verwijst dus ook naar een verbreding van het handelingsrepertoire van de staat, die niet enkel meer kan vertrouwen op hiërarchische interventies, maar samenwerking zal moeten aangaan in netwerkachtige omgevingen met burgers en maatschappelijke partijen om effectief en legitiem te kunnen opereren – een onderscheid dat vaak wordt gereduceerd tot het begrippenpaar ‘government’ versus ‘governance’ (e.g. Rhodes, 1996; Hajer & Wagenaar, 2003). Uiteraard verdwijnt de ‘hiërarchische staat’ niet volledig – het handhaven van de rechtsorde is toch een zaak van ‘government’ gebleven – en ideaaltypisch gezien beschikt de staat over drie soorten ‘governing structures’: “hierarchies, markets and networks” (Rhodes, 1996:653), in te zetten naar gelang de aard van het voorliggende beleidsvraagstuk.

Wat oprijst uit de notie van governance is het beeld van een ‘bescheiden bestuur’ – enerzijds omdat formele macht (en soms ook geld) ontbreekt, anderzijds omdat de inbreng van burgers serieus genomen moet worden voor effectieve en legitieme besluitvorming. De staat opereert in netwerken van wederzijdse afhankelijkheden en is aangewezen op procesmanagement in plaats van ‘command and control’. De centrale stelling van dit artikel is echter dat dit beeld van een bescheiden staat niet meer volstaat om een belangrijk deel van hedendaagse governance-technieken te beschrijven. Zoals in de eerder aangehaalde citaten uit twee regeerakkoorden al duidelijk werd, is de staat allesbehalve volledig ‘teruggetreden’ of ‘bescheiden’. In tegendeel, de staat lijkt tegenwoordig een nieuw soort interventionisme aan de dag te leggen, dat eerder als ‘gulzig’ omschreven kan worden (Trommel, 2009). Hoe gezagsdragers deze gulzigheid vormgeven en rechtvaardigen is onderwerp van de navolgende uiteenzetting.


Een gedeelde verantwoordelijkheid


In de door ons geanalyseerde speeches, publiekscampagnes, regeringsverklaringen, regeerakkoorden en troonredes uit de periode 2000-2010 komt deze thematiek regelmatig terug. Hoewel hier niet de ruimte is voor een volledig overzicht van alle data, is uit vrijwel elke expliciete verwijzing naar politiek-normatieve opvatting van gezagsdragers aangaande staat, samenleving en burgers eenzelfde soort redenering te reconstrueren. Deze redenering – hoewel zelden volledig expliciet uitgewerkt in de geanalyseerde teksten – zullen we in het navolgende expliciteren. De verantwoording van de interpretatie die we hier maken van de geanalyseerde teksten krijgt vorm doordat bij elke stap in de redenering een aantal relevante passages wordt aangehaald.

Het dominante argumentatiepatroon in het politieke discours over de verantwoordelijkheid van de staat aangaande vraagstukken als integratie, normbesef, veiligheid, gezondheid en probleemjongeren hebben wij verdeeld in vijf stappen, te weten:

    1. Probleemdefinitie: het gedrag van burgers zorgt voor grote maatschappelijke problemen…

    2. Een gedeelde verantwoordelijkheid: de overheid is niet in staat om deze complexe vraagstukken alleen op te lossen…

    3. Vrij maar verantwoordelijk: het autonome individu wordt aangesproken op zijn verantwoordelijkheid…

    4. De staat als bondgenoot: de overheid stelt zich dienstbaar op richting de verantwoordelijke burger…

    5. Disciplinering en dienstbaarheid: de overheid ontplooit activiteiten om de gewenste vorm van verantwoordelijk gedrag te ondersteunen of af te dwingen…

Probleemdefinitie

De passages in de redevoeringen waarin wordt verwezen naar de rol van de staat gaan veelal over complexe vraagstukken, variërend van volksgezondheid, veiligheid, de opvoeding van probleemjongeren, integratie en immigratie, en de sociale samenhang in achterstandswijken. Verbindende factor van deze problemen is dat ze steeds draaien om de vraag wat een gemeenschap bij elkaar houdt – dat wil zeggen, problemen van veiligheid, volksgezondheid of integratie wordt gepresenteerd als bedreigingen voor de orde, solidariteit en cohesie van de Nederlandse samenleving. Gezagsdragers waarschuwen daarbij steeds voor de gevolgen van bepaald gedrag van burgers, zoals een gebrek aan binding met de publieke zaak[1], ongelimiteerd individualisme[2], ongebreidelde marktwerking[3], onvoldoende integratie van culturele minderheden[4], een gebrek aan burgerschapsdeugden[5], inadequate opvoeding van jongeren[6]of een ongezonde levensstijl[7]. Het gedrag van burgers ondermijnt het welzijn, de veiligheid en de cohesie van de samenleving – dat hoeft niet eens zozeer bewust samenlevingsondermijnend gedrag te zijn, maar bij voorbeeld ook gedrag dat juist individueel gezien goed te billijken is en pas op geaggregeerd niveau tot een ‘tragedy of the commons’ (zoals de kosten van ongezond leven voor de volksgezondheid of de gevolgen van energieverspilling voor het klimaat). Door bepaald gedrag als schadelijk te bestempelen wordt er tegelijkertijd ook een opvatting van ‘goed gedrag’ verondersteld, waarbij waarden zoals gemeenschapszin, actief burgerschap, gezond gedrag, fatsoen en verantwoordelijkheid centraal staan:



[1] “Een samenleving bestaat bij de gratie van gemeenschappelijke waarden en normen waaraan een ieder zich verbindt. Burgers zijn geen consumenten van de samenleving; zij zijn er verantwoordelijk voor. Zij mogen worden aangesproken op het motto: fatsoen moet je doen”; Regeringsverklaring kabinet Balkenende I, 2002.

[2] “Individualisering is een belangrijk kenmerk van onze westerse samenleving. Die individualisering heeft ontegenzeglijk veel goeds gebracht, maar gaat ook gepaard met schaduwkanten die […] te maken hebben met verlies aan sociale, maatschappelijke en culturele structuren en verbanden waarin een individu geluk, koestering, zorg, geborgenheid en vriendschap kan vinden. In wezen is dit het vraagstuk hoe de vrijheid van het individu en de gebondenheid aan de gemeenschap zich tot elkaar zouden moeten verhouden”; lezing Job Cohen d.d. 27-11-2003, toentertijd burgemeester van Amsterdam.

[3] “Een samenleving die zich uitsluitend als staat of markt kan denken ziet een wezenlijke opdracht over het hoofd. Die opdracht is om de bedoeling van de menselijke persoon, om een integraal humanisme te realiseren. Dat vraagt om betrokkenheid en participatie […]. Met marktwerking hoeft niets mis te zijn, als die maar wordt geïnspireerd vanuit een streven naar gemeenschapswerking”; speech Wim van de Donk, Commissaris van de Koningin Noord-Brabant, september 2009.

[4]“Het doel van integratie is een toekomstperspectief te bieden en de cohesie in de samenleving te versterken. Een te groot deel van de allochtone bevolking neemt onvoldoende deel aan de maatschappij. Integratie betekent meedoen, en dat vereist de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor zelfredzaamheid”; Troonrede 2003.

[5]“Een samenleving ontleent haar kracht aan fundamentele waarden en normen. […] De manier waarop mensen in de publieke ruimte met elkaar omgaan, is een belangrijke toetssteen. Het is echter geen zaak van het kabinet alleen. De

samenleving is alleen vitaal als iedereen kan, mag en wil meedoen, als mensen eerst zelf verantwoordelijkheid nemen en pas daarna naar anderen kijken of iets van de overheid verwachten. Een van de drie kernthema’s van het kabinet is

daarom: meedoen”; Regeringsverklaring kabinet Balkenende II, 2003.

[6] “In deze samenleving stokt de overdracht van waarden op jongeren, worden regels met voeten getreden en is respectvol gedrag vaak ver te zoeken. […] Rekening houden met anderen - het lijkt er tegenwoordig een beetje bij in te schieten. De overdracht van waarden en normen is geen vanzelfsprekendheid, dat is duidelijk. We moeten werken aan waarden. Dat vereist toewijding en een lange adem. Van ouders en opvoeders, beleidsmakers en buren, van iedereen eigenlijk”; speech Jan Peter Balkenende d.d. 30-11-2009; toentertijd minister-president.

[7] “We zijn ons er meer en meer van bewust dat de gezondheidsbedreigingen van deze tijd en in de nabije toekomst, voortkomen uit een ongezonde leefstijl. Dat wordt steeds meer zichtbaar met de toename van chronische ziekten. Ook wordt meer en meer onderkend welke maatschappelijke waarde gezondheid heeft, niet alleen voor het persoonlijke welbevinden maar ook voor het presteren op school en het functioneren in betaald en onbetaald werk”; speech Ab Klink d.d. 25-9-2007; toentertijd minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.


[1] State of the Union, d.d. 24-1-1995; http://www.let.rug.nl/usa/P/bc42/speeches/sud95wjc.htm, geraadpleegd d.d. 14-11-2010.